Overslaan en naar de inhoud gaan

Hoe beantwoord je meerkeuzevragen op je examen?

Meerkeuzevragen, ook wel multiplechoice vragen genoemd, komen vaak voor op de eindexamens, vooral bij de talen maar soms ook bij andere vakken zoals biologie. Het lijkt makkelijk: het antwoord op de vraag staat immers al voor je opgeschreven. Hoewel het fijn is dat je het antwoord niet zelf hoeft te formuleren, kan het wel erg lastig zijn om het juiste antwoord te kiezen: meerder antwoorden lijken soms goed. Met onderstaande tips kom je makkelijker tot het goede antwoord. 

Tip 1: Oefen met meerkeuzevragen.

Door tijdens het leren voor je examens regelmatig te oefenen met meerkeuzevragen, raak je bekend met de vraagstellingen. Zo weet je hoe je deze vragen moet aanpakken en krijg je meer zelfvertrouwen voor het examen.

Tip 2: Lees de vraag heel goed.

Meerkeuze vragen zijn vaak moeilijk door de manier waarop de vraag gesteld word. Zorg dat je de vraag helemaal begrijpt, voordat je gaat proberen deze te beantwoorden. Zoek lastige woorden op en schrijf indien nodig de vraag op in je eigen woorden.

Tip 3: Denk niet té moeilijk.

Onthoud: de meerkeuzevragen op je examen zijn geen strikvragen. Als je dit gevoel wel krijgt bij een vraag, denk je waarschijnlijk te moeilijk. Daarnaast is het zo dat het goede antwoord er altijd tussen staat, kies dus gewoon het antwoord dat het best lijkt te passen. 

Tip 4: Bekijk alle antwoorden.

Overweeg altijd alle antwoorden die gegeven zijn in plaats van voor het eerste antwoord te kiezen dat juist lijkt. Het komt namelijk vaak voor dat meerdere antwoorden correcte informatie bevatten, maar uiteindelijk is er maar één die antwoord geeft op de vraag.

Tip 5: Ga strategisch te werk.

Als je vier antwoordopties hebt, zijn er vaak twee die duidelijk niet kloppen. Streep deze antwoorden weg. Kijk vervolgens naar de twee antwoorden die overblijven en bepaal wat het verschil hiertussen is. Bedenk vervolgens welk van die antwoorden het best aansluit op de meerkeuzevraag. 

Als je het antwoord echt nog niet weet, blijf dan niet te lang hangen bij de vraag. Je kunt het examen in meerdere 'rondes' maken: In de eerste ronde maak je de vragen die je direct weet. In de tweede ronde de wat moeilijkere vragen. In de derde ronde beantwoord je de vragen waar je langer over na moet denken.

Tip 6: Check of je alles goed hebt ingevuld.

Ga na of je bij iedere vraag een antwoord hebt ingevuld. Als je het echt niet weet, kun je beter iets gokken dan helemaal niets in te vullen. Je hebt een behoorlijke kans dat je goed gokt en je krijgt geen minpunten voor een fout antwoord.

Check daarnaast of je het formulier op de juiste manier hebt ingevuld:

  • Staat je naam er goed op?
  • Heb je alles met potlood ingevuld?
  • Staan de juiste antwoorden bij de juiste vragen?

Tip 7: Verander je antwoorden niet.

In veruit de meeste gevallen is je eerste antwoord het juiste. Ga dus niet twijfelen als je je antwoorden nog een keer naloopt. Alleen als je een nieuw inzicht hebt gekregen, is het aan te raden je antwoord aan te passen.​​​​​